Begrijpen hoe je verkeerssituaties moet benaderen.
Wat je vandaag leert
Verkeersdeelnemers
Plaats op de weg
Rijbaan en rijstroken
Basis verkeersregels
Kijken en anticiperen
Veilig deelnemen aan het verkeer
Lesstof
Les 1
Verkeersdeelnemers
Iedereen die zich op de weg bevindt is verkeersdeelnemer: voetgangers, fietsers, bromfietsers, automobilisten en bestuurders van vrachtauto's. Jij in je Urus bent 'bestuurder van een motorvoertuig'.
Bestuurder = iedereen die een voertuig bestuurt (ook een fiets).
Voetgangers en mensen die een fiets aan de hand meevoeren zijn geen bestuurder.
Kwetsbare verkeersdeelnemers (kinderen, ouderen, fietsers) vragen extra oplettendheid.
Les 2
Plaats op de weg
Je rijdt zo veel mogelijk rechts. Op een weg met rijstroken houd je de rechterrijstrook aan, tenzij je inhaalt of moet voorsorteren.
Rijbaan = het deel van de weg voor rijdend verkeer.
Rijstrook = een deel van de rijbaan dat breed genoeg is voor één rij auto's.
Fietsstrook (onderbroken streep) mag je in noodgevallen kort gebruiken; fietspad nooit.
Les 3
Kijken en anticiperen
Theorie draait niet alleen om regels, maar om vooruit denken. Kijk ver vooruit, gebruik je spiegels elke 5 à 8 seconden en check je dode hoek voordat je stuurt.
Kijken → beoordelen → beslissen → handelen.
Gebruik richting aangeven altijd op tijd, niet tijdens de manoeuvre.
Houd rekening met wat anderen fout kunnen doen.
Les 4
Wegen, weggedeelten en begrippen
Het CBR toetst of je de officiële begrippen uit het RVV 1990 kent. Verwar 'weg' niet met 'rijbaan' en 'rijstrook'.
Weg = alles tussen de erfgrenzen: rijbaan, berm, fietspad, trottoir en parkeerplaats.
Rijbaan = het deel bestemd voor rijdend verkeer (auto's, fietsers op de rijbaan).
Rijstrook = deel van de rijbaan, breed genoeg voor één rij motorvoertuigen.
Busbaan/busstrook: alleen voor lijnbussen; een busstrook met onderbroken streep mag je kort gebruiken om af te slaan.
Erf (woonerf): stapvoets rijden (max. 15 km/u), voetgangers mogen de hele weg gebruiken, parkeren alleen in de vakken.
Voetpad/trottoir: nooit rijden of parkeren met een motorvoertuig.
Les 5
Voertuigcategorieën en rijbewijs B
Je moet weten welke voertuigen waar mogen rijden en wat je met rijbewijs B mag besturen.
Rijbewijs B: motorvoertuig tot 3.500 kg met max. 8 passagiers, aanhanger tot 750 kg (of samen max. 3.500 kg).
Bromfiets (blauw kenteken): max. 45 km/u; snorfiets (blauw, 25 km/u) rijdt binnen de kom vaak op het fietspad.
Brommobiel: max. 45 km/u, rijdt op de rijbaan, niet op de autoweg of autosnelweg.
Landbouwvoertuig (trekker): max. 25 km/u (met kenteken 40 km/u), niet op auto(snel)weg.
Gehandicaptenvoertuig mag op rijbaan, fietspad én trottoir (stapvoets).
Les 6
Autogordels, kinderen en lading
Vragen over veiligheid en verantwoordelijkheid komen op elk examen terug.
Als bestuurder ben je verantwoordelijk dat kinderen onder 18 jaar de gordel of het kinderzitje gebruiken.
Kinderen kleiner dan 1,35 m: goedgekeurd kinderbeveiligingssysteem, ook achterin.
Nooit een kinderzitje met de rug naar voren op een stoel met actieve airbag.
Lading mag maximaal 1 meter uitsteken aan de achterkant; meer dan 1 meter uitstekend: rood-witte markering.
Slecht vastgezette lading = je bent strafbaar, ook als je zelf niet laadde.
Les 7
Documenten, alcohol en medicijnen
Kennisvragen over wat je bij je moet hebben en wanneer je niet mag rijden.
Verplicht bij je: rijbewijs, kentekenbewijs en een geldig verzekeringsbewijs (APK staat geregistreerd).
Alcohol: 0,5 promille (220 µg/l) voor ervaren bestuurders, 0,2 promille (88 µg/l) voor beginnende bestuurders (eerste 5 jaar, of 7 jaar bij rijbewijs vanaf 18).
Alcohol wordt ongeveer 1 standaardglas per uur afgebroken; koffie, douchen of eten helpt niet.
Medicijnen met een gele sticker: rijden afraden of overleg met arts.
Vermoeidheid verlengt je reactietijd net als alcohol: neem elke 2 uur pauze.
Oefenen
10 korte kennisvragen, 5 situaties en een eindcheck: 'Beheers ik de basis?'
1. Je rijdt met je Urus op een weg met een fietsstrook met onderbroken streep. Mag je hier overheen rijden?
2. Wie is géén bestuurder?
3. Waar rijd je in principe op de rijbaan?
4. Je rijdt in je Urus op een weg zonder fietspad. Een fietser rijdt voor je. Wat is juist?
5. Wat wordt bedoeld met 'de rijbaan'?
6. Je nadert een file op een weg met twee rijstroken in jouw richting. Wat is de bedoeling?
7. Mag je op deze plaats de rijbaan gebruiken als je een bromfiets bestuurt?
8. Je gaat wegrijden vanaf een parkeerplaats. Welke controle hoort er als laatste bij?
9. Wat betekent 'anticiperen' in het verkeer?
10. Je rijdt op een weg met een doorgetrokken streep in het midden. Wat mag je niet doen?